Das ist nicht so richtig Lyrik was du da machst
Jan Böttcher is schrijver en zanger. Hij woont sinds 1993 in Berlijn en werd hier bekend met de band
Herr Nilsson. Tevens krijgt hij ook een naam in het literaire wereldje. Zijn debutroman
Lina oder: Das kalte Moor verscheen 2003, en zijn tweede roman is in werking. Jan Böttcher vertelt hoe hij bij het schrijven en de muziek kwam, en over de verschillen van songteksten en literatuur, en zingt een nummer van de laatste CD.
Open ramen
Het brengt toch soms verassingen met zich mee als je ’s nachts het raam open laat staan. Als ik door een rare droom wakker word en het licht aandoe, vliegt er rechts van mij iets op. Ik herinner me donker een of ander insect dat ik toen ik naar bed ging heb gezien. Maar dit maakt meer lawaai. Het is groter ook. Het...?! Mijn eerste reactie - in paniek opspringen en naar de gang vluchten. De kamerdeur knalt haard tegen de open deur van de logeerkamer, waar Mika uit Canada ongetwijfeld van de herrie wakker moet zijn geworden.
Een vleermuis. Op de gang bedenk ik me hoopvol dat vleermuizen over een geweldig naviegatievermogen beschikken, en dat het beest ongetwijfeld al de weg naar buiten heeft gevonden. Met die gedachte durf ik mijn kamer in te kijken. Het beest vliegt echter net zo in paniek als ik van muur tot muur en lijkt me zelfs hulp zoekend aan te kijken. Ik doe de deur weer dicht en zoek op mijn beurt hulp bij Mika. ”There’s a bat in my room”, roep ik door de dichtgevallen logeerkamerdeur heen. ”What?” Ik bedenk me dat mijn Engelse uitspraak misschien in detailkwesties niet al te goed is, en dat dat daarnet geklonken zou kunnen hebben als 'There’s a bed in my room'. Dát is verder niet verbazingswekkend, en zou bovendien als een tweeduidig voorstel kunnen klinken. ”A bat got caught my room. How the hell can I get it out?” “I don’t know.”
Mika laat de kans heldendom te vertonen zomaar voorbij gaan. Ik daarentegen duik dapper mijn door het beest bezette kamer in. Het hangt kop naar beneden aan een balk aan het plafond en begint opnieuw te vliegen als ik de ramen nog verder open gooi. Ik duik onder het laag vliegende best heen en verstop me weer op de gang. Wat doe ik als hij nu niet de weg naar buiten vindt? De methode met een glas en een blad papier lijkt me geen optie. Ik herinner me dat eer ook eens een duif in de kamer vastzat en alles onder heeft gescheten. Hopelijk werken de sluitspieren van vleermuizen beter als ze bang zijn.
Ik kijk opnieuw. Het is rustig. Ik zie geen vleermuis. Voorzichtig doe ik drie stappen de kamer in, ga met de ogen het plafond af, de bank, het bed... Daar. Hij ligt op een doos in de boekenkast. Uitgeput, hijgend. Ineens raak ik helemaal vertederd. Wat een lief hoofdje. Kan je vleermuizen aaien? Geweldig dat zo’n beestje kan vliegen. Dat begint ie nu ook opnieuw aan, en zet mij weer op de hoede.
Ik doe het licht uit - misschien leidt dat hem af - en ga op de gang staan. Geleidelijk heb ik mijn twijfels wat de orientatie van vleermuizen betreft. Een kamer kan toch ook niet moeilijker zijn dan een grot. Het klinkt rustig binnen. Toch denk ik er al over na, waar ik in het huis vannacht anders kan slapen. Op de bank in de woonkamer, bij mijn moeder in bed, in het tweede bed in de logeerkamer bij heldendomdeserteur Mika? Ik wil liever mijn kamer terug. Deur open. Ah, het beest lijkt verdwenen te zijn. Ik zoek alles af voordat ik er zeker van ben, dat de kamer weer veilig is. De ramen doe ik voortaan toch maar liever dicht, denk ik.
‘Live 8 is hier, Live 8 is overal’
Overtuigende Berlijnse editie laat grens tussen ‘hier’ en ‘daar’ vervagen
Natuurlijk was er vooraf alle reden om cynisch te zijn. In hoeverre heeft het tegenwoordig überhaupt zin, zo’n massaspektakel als Live 8? En gaat de politiek wel luisteren? Het zijn vragen waarover ook rond de G8-top nog flink gediscussieerd gaat worden. Maar het bijwonen van de Berlijn-editie, maakte een hoop twijfels in één klap overbodig: Live8 was groots, fantastisch, en overtuigend.
Laten we er geen doekjes om winden: de Live Aid-concerten van ’85 zijn een historisch fenomeen. Een zo groot fenomeen, dat zelfs wij, destijds amper de kleuterschool ontgroeid, nog enkele persoonlijke herinneringen kunnen ophalen aan die warme julidag in 1985. “Nee, Michael Jackson komt echt niet”, sprak de moeder van Gejo herhaaldelijk uit, terwijl zoontje voor de buis gekluisterd zat. En ook de vader van Peter werd tijdens een fietstocht vriendelijk verzocht huiswaarts te keren. ”Papa, ik wil Live Aid zien.”
Toen Bob Geldof een maand geleden aankondigde aan de vooravond van de G8-conferentie in Edinburgh een nieuwe Live Aid uit de grond te stampen, zagen beide kleuters dan ook de kans schoon. In één klap konden zij het grote gemis uit hun jeugd goedmaken. In Berlijn bovendien, de stad waar zij beiden voor studie enige tijd gewoond hebben.
Live8, zoals het spektakel in 2005 genoemd werd, kende ten opzichte van twintig jaar geleden namelijk een opvallende schaalvergroting: in plaats van twee lokaties (Londen en Philadelphia), vonden de concerten ditmaal plaats in álle G8-landen. Met daarbovenop nog twee extra, Afrikaans getinte concerten: in Johannesburg en Cornwall. Niet om geld op te halen ditmaal, maar in de eerste plaats om een duidelijke vuist te maken richting G8-leiders, aan de vooravond van hun top in Edinburgh. Weg met de armoede in Afrika; ‘Make Poverty History.’
En natuurlijk was er vooraf alle reden om cynisch te zijn. In hoeverre heeft het nog wel zin, zo’n massaspektakel anno 2005? Is Geldof niet overambitieus? En: gaat een dergelijke massamanifestatie überhaupt wel enig politiek effect sorteren? Het zijn vragen waarover de komende tijd vast nog flink gediscussieerd gaat worden. Maar na het bijwonen van de Berlijn-editie kunnen wij weinig anders zeggen dan het volgende: Live8 was groots, fantastisch, en overtuigend.
Ondanks de talloze haken en ogen, die ook in de Duitse hoofdstad naar voren kwamen. Zo viel van de Deutsche Pünktlichkeit in het strakke tijdschema al vrij gauw niets meer te bekennen. De derde band begon al met een dik half uur vertraging, terwijl afsluiter Herbert Grönemeyer pas tegen enen zijn laatste lied ten gehore bracht, in plaats van de geplande slottijd acht uur. ‘Men had zich verkeken om de ombouwtijd’, luidde na afloop de officiële verklaring. Ach ja.
En zo viel er eveneens makkelijk te mopperen op zowel het hoge oude-rotten-gehalte in de programmering (wil diegene die nu nog op Chris De Burgh zit te wachten even zijn hand opsteken?) als de lokatie, de weliswaar grootse en prachtige, maar voor 200.000 mensen ook wel héél erg smalle Strasse der 17.Juni. Hoe fraai het plaatje van de Siegessäule achter het podium er ook uitzag.
Grootse uitglijder was nog wel het introfilmpje, aan het begin van de dag, dat wel een héél tenenkrommend ‘Heal The World’-gehalte kende: de Louis Armstrong-klassieker ‘What A Wonderful World’, gezongen door Jamie Cullum, met beelden van stervende kindjes in Afrika erbij. Au. Het zou toch niet zó’n dag gaan worden?
Welnee. Vanaf het moment dat openers Die Toten Hosen het podium betreden, wordt het namelijk overduidelijk: Live 8 moest vooral één groot feest gaan worden. Dat alle 200.000 aanwezigen in de eerste plaats verbindt voor dezelfde goede zaak. ‘Dies ist kein Konzert, sondern eine Demonstration’, roept voorman Campino uit, en de Toten Hosen-vaandels zwaaien heen en weer. Het openingsnummer zet de toon voor de dag: “Es kommt die Zeit, in der das Wünschen wieder hilft.” Een wens meegeschreeuwd door 200.000 kelen.
Die Toten Hosen blijkt alleen een van de weinige bands te zijn met een specifieke politieke boodschap. De meeste groepen (van Wir sind Helden tot Roxy Music) doen gewoon hun ding, en spelen in een kwartiertje tijd een paar van hun grootste hits. De boodschap komt tussendoor wel, als komiek Michael Mittermeyer de boel scherp aan elkaar praat. Of via de geëngageerde leuzen, die via de lichtkrant boven het podium de hele tijd voorbij flitsen. Politieke oprechtheid is alleen te vinden bij het vlammende Audioslave – gitarist Tom Morello onderbreekt de korte set zelfs even voor een felle speech- en bij afsluiter Grönemeyer, die zich voor een woord voor woord meezingend veld andermaal een Duitse volksheld betoont.
Het is dan ook niet per se die boodschap, die Live 8 anno 2005 typeert; het is vooral de verbondenheid. Het collectieve goede geweten. Want nee, natuurlijk is er niemand die ook maar iets van het podium kan zien. Maar het maakt niet uit: de Siegessäule pronkt daar schitterend, de boodschappen op de lichtkrant doen hun werk, en A-Ha’s ‘Take On Me’ kennen we allemaal. En wanneer Will Smith via de videoschermen vanuit Philadelphia ‘Hello Berlin’ roept, is het hek van de dam. Live 8 is niet alleen hier, Live 8 is overal.
Het is vooral ook die laatste gedachte die de dag zijn onvergetelijke dimensie meegeeft. Wanneer tussen de optredens door wordt ingeschakeld naar Londen, vervaagt binnen de kortste keren de grens tussen ‘hier’ en ‘daar’. Wanneer Robbie Williams wordt doorgestraald vanuit Londen, gaan ook in Berlijn armen en aanstekers massaal de lucht in. En blijkt iedereen het refreintje van ‘Angels’ te kennen. ‘Music makes the people come together,’ zingt Madonna vanuit Hyde Park. En je hebt haar, om je heen kijkend, nog nooit zó gelijk gegeven.
Nu alleen nog afwachten of de G8 nog een beetje meewerkt.
Live 8, met o.a. Herbert Grönemeyer, Faithless, Roxy Music, A-Ha, Brian Wilson, Green Day, Audioslave, Wir sind Helden en Die Toten Hosen.
Gezien: Siegessaüle, Berlijn, 2 juli 2005.
Geschreven door Peter Bijl en Gejo Hoogeveen.
Blauw
De meeste ogen in die je kijkt, kijken bruin terug. Ze kijken terug en ze blijven kijken. Ik heb ze voelen staren. Zij kijken in mijn ogen en laten niet meer los. Ze maken opmerkingen. Fluisteren 'que linda','preciosa' als ik aan ze voorbij loop. Mijn lichte blauwe ogen worden op straat tot een vangnet, terwijl ik vlucht voor mijn prooi.
Met een zonnebril controleer ik het effect van mijn ogen. Als ik rustig over straat wil lopen, schuilt hun kleur achter donkere glazen. Als ik op wil vallen, als ik object van verlangen wil zijn, laat ik ze stralen. Een lamp in het donker vaalt niet.
Huishonden en straathonden
Chili stikt van de honden. Van twee soorten honden: huishonden en straathonden. De straathonden zie je meer. Ze zijn vast onderdeel van de omgeving. Ze liggen in de parken in de schaduw, achtervolgen vrouwelijke straathonden door meerdere wijken, zoeken op de markt naar eten. Ze zoeken ook wel eens naar gezelligheid. Dan volgen ze je, willen spelen of geaaid worden. Straathonden zijn er in alle soorten en maten. De meeste waren ooit huishonden, of zijn nakomelingen van huishonden. Opvallend zijn de vele Husky´s. Schijnbaar geen ras die graag opgesloten zit in een huis.
Huishonden zie je zelden op straat. Alleen rijke lui´s huishonden mogen wel eens buiten huis. Verder heb je huishonden vooral in twee maten: groot of klein. De kleine huishonden zijn de lievelingen van bejaarde chileense mevrouwen. Alle huishonden zijn uitermate slecht opgevoed. Zij bedelen zonder pauze bij het eten, springen op de meubels en pissen wel eens op het vloerkleed.
En huishonden of straathonden, allemaal blaffen ze, de hele nacht door.