Heuvelland


 Ik kom uit het heuvelland
Waar klaprozen tussen het
Koren bloeiden en ogen
Tussen de gordijnen hingen.

Waar  kerkklokken sloegen
Tegen de gevel van het café
Waar de lucht van sigaretten
(Chief Whip, op ieders lip)
Onder  de deur doorkwam.
 

Daar , daar was het leven bitter,
 de soep heet, de pudding zoet.

Waar ik vandaan kom, was het geluid
Van paarden,  briesend in schuren,
Waar het rook naar zadels, naar rottende
Appels en roestend ijzer, daar op die plek
Paste men zich vreugdeloos aan, tussen
Weilanden, jonge kapelaans met tonsuren,
Gesteven schorten en de hoge wielen van
Tractoren, knarsend, in het grint.

Waar ik vandaan kom, waren
Complimenten bijzonder, maar
Veulens normaal, waar ik
vandaan kom, dienden
vrouwen hun  mannen
en radio’s het weerbericht.

Waar ik vandaan kom
Was altijd lawaai. Altijd leven

Altijd eenzaamheid.






Schrijf een opmerking



Opmerkingen

geen opmerkingen gevonden