Ice Ice Baby, too cold
Ja, ik geef het direct toe. Ik ken Ice Ice Baby uit mijn hoofd. En dat niet alleen, ik ben zelfs gefascineerd door het fenomeen Vanilla Ice. Hoeveel lol ik er in de loop der afgelopen jaren niet heb beleefd aan digitale speuracties, met de hamvraag wat er van 'ons Vanilla' toch geworden is. En vooral: aan de resultaten ervan.
Want laten we wel wezen: het is natuurlijk niet voor niets dat menigeen van ons bij het horen van de naam Vanilla stante pede begint te denken aan Milli Vanilli. Aan nep. Of, nog beter gezegd: aan pathetisch. Of moeten wij daarvoor écht wijzen op kleffe rapballades als 'I Love you' ('au', ik roep), op tenenkrullende filmwerkjes als 'Cool As Ice' of op Icemans' talloze mislukte pogingen (twaalf, gokken wij) tot iets wat in de verte naar een come-back zou moeten rieken? Met telkens wéér –iemand zou toch moeten weten waar hij het vandaan haalt - een nieuwe variant op Ice Ice Baby?
Ach ja, Vanilla Ice. Enerzijds is het een even mislukte als miskende neprapper,
anderzijds een man met een tragiek. En om deze laatste compleet te maken, was hij afgelopen week te gast bij Jensen. De meest smakeloze talkshow van de Nederlandse televisie? Het zou zomaar kunnen. Maar zo moet gezegd: de combinatie 'boertige interviewer met MAVO-humor' en 'vermeende neprapper met sterverleden' paste wonderwel. Vanilla Ice is immers ook maar een mens, zo bleek op de rode bank bij RTL's vadsige baasje. Die als jonge naïeveling in de handen viel van machtlustige platenbazen, die in Vanilla een grandioze speelbal zagen om de popmarkt te veroveren. Die daarna sterk aan de drugs raakte, een zelfmoordpoging ondernam, en vervolgens –het verhaal moet immers compleet- het licht zag bij de Here en zijn lieflijke gezinnetje.
Vanilla Ice dus. Die momenteel net een kleine Oost-Europese toernee heeft afgewerkt. Met discotheekoptredens in Praag, Tallinn en Riga, om maar wat dwarsstraatjes te nomen. En die ongetwijfeld werkt aan zijn dertiende mislukte come-back. Maar dat terzijde. Want gezegd moet worden: het gevoel was er. Zoals hij daar op de rode bank in Hilversum zijn verhaal deed, met als slotakkoord een a cappella gebracht Ice Ice Baby, voel je, vijftien jaar na dato, zowaar een heel klein beetje trots. Op de man de soundtrack vormde van je laatste kinderjaren, en vlot daarna uitgroeide tot het - misschien wel - pijnlijkste figuur van de moderne pophistorie. Maar tevens tot een cultuurgoed dat vele jongeren van nu zo jammerlijk zijn misgelopen. Een icoon van de postmoderne chaos. Van de dunne lijn tussen klatergoud en afgrond.
'Vanilla Ice was te gast in de studio. Maar die ken je vast niet', spuwde een van de aanwezige MAVO-klanten na afloop in zijn mobieltje. Een teken aan de wand? Wellicht. Maar misschien ook een teken dat het voor ons IJsmans nog steeds niet te laat is om binnenkort een veertiende come-back-poging te wagen. Dat we het resultaat toch al kennen, zou niemand moeten uitmaken.
Word to your mother.
‘Live 8 is hier, Live 8 is overal’
Overtuigende Berlijnse editie laat grens tussen ‘hier’ en ‘daar’ vervagen
Natuurlijk was er vooraf alle reden om cynisch te zijn. In hoeverre heeft het tegenwoordig überhaupt zin, zo’n massaspektakel als Live 8? En gaat de politiek wel luisteren? Het zijn vragen waarover ook rond de G8-top nog flink gediscussieerd gaat worden. Maar het bijwonen van de Berlijn-editie, maakte een hoop twijfels in één klap overbodig: Live8 was groots, fantastisch, en overtuigend.
Laten we er geen doekjes om winden: de Live Aid-concerten van ’85 zijn een historisch fenomeen. Een zo groot fenomeen, dat zelfs wij, destijds amper de kleuterschool ontgroeid, nog enkele persoonlijke herinneringen kunnen ophalen aan die warme julidag in 1985. “Nee, Michael Jackson komt echt niet”, sprak de moeder van Gejo herhaaldelijk uit, terwijl zoontje voor de buis gekluisterd zat. En ook de vader van Peter werd tijdens een fietstocht vriendelijk verzocht huiswaarts te keren. ”Papa, ik wil Live Aid zien.”
Toen Bob Geldof een maand geleden aankondigde aan de vooravond van de G8-conferentie in Edinburgh een nieuwe Live Aid uit de grond te stampen, zagen beide kleuters dan ook de kans schoon. In één klap konden zij het grote gemis uit hun jeugd goedmaken. In Berlijn bovendien, de stad waar zij beiden voor studie enige tijd gewoond hebben.
Live8, zoals het spektakel in 2005 genoemd werd, kende ten opzichte van twintig jaar geleden namelijk een opvallende schaalvergroting: in plaats van twee lokaties (Londen en Philadelphia), vonden de concerten ditmaal plaats in álle G8-landen. Met daarbovenop nog twee extra, Afrikaans getinte concerten: in Johannesburg en Cornwall. Niet om geld op te halen ditmaal, maar in de eerste plaats om een duidelijke vuist te maken richting G8-leiders, aan de vooravond van hun top in Edinburgh. Weg met de armoede in Afrika; ‘Make Poverty History.’
En natuurlijk was er vooraf alle reden om cynisch te zijn. In hoeverre heeft het nog wel zin, zo’n massaspektakel anno 2005? Is Geldof niet overambitieus? En: gaat een dergelijke massamanifestatie überhaupt wel enig politiek effect sorteren? Het zijn vragen waarover de komende tijd vast nog flink gediscussieerd gaat worden. Maar na het bijwonen van de Berlijn-editie kunnen wij weinig anders zeggen dan het volgende: Live8 was groots, fantastisch, en overtuigend.
Ondanks de talloze haken en ogen, die ook in de Duitse hoofdstad naar voren kwamen. Zo viel van de Deutsche Pünktlichkeit in het strakke tijdschema al vrij gauw niets meer te bekennen. De derde band begon al met een dik half uur vertraging, terwijl afsluiter Herbert Grönemeyer pas tegen enen zijn laatste lied ten gehore bracht, in plaats van de geplande slottijd acht uur. ‘Men had zich verkeken om de ombouwtijd’, luidde na afloop de officiële verklaring. Ach ja.
En zo viel er eveneens makkelijk te mopperen op zowel het hoge oude-rotten-gehalte in de programmering (wil diegene die nu nog op Chris De Burgh zit te wachten even zijn hand opsteken?) als de lokatie, de weliswaar grootse en prachtige, maar voor 200.000 mensen ook wel héél erg smalle Strasse der 17.Juni. Hoe fraai het plaatje van de Siegessäule achter het podium er ook uitzag.
Grootse uitglijder was nog wel het introfilmpje, aan het begin van de dag, dat wel een héél tenenkrommend ‘Heal The World’-gehalte kende: de Louis Armstrong-klassieker ‘What A Wonderful World’, gezongen door Jamie Cullum, met beelden van stervende kindjes in Afrika erbij. Au. Het zou toch niet zó’n dag gaan worden?
Welnee. Vanaf het moment dat openers Die Toten Hosen het podium betreden, wordt het namelijk overduidelijk: Live 8 moest vooral één groot feest gaan worden. Dat alle 200.000 aanwezigen in de eerste plaats verbindt voor dezelfde goede zaak. ‘Dies ist kein Konzert, sondern eine Demonstration’, roept voorman Campino uit, en de Toten Hosen-vaandels zwaaien heen en weer. Het openingsnummer zet de toon voor de dag: “Es kommt die Zeit, in der das Wünschen wieder hilft.” Een wens meegeschreeuwd door 200.000 kelen.
Die Toten Hosen blijkt alleen een van de weinige bands te zijn met een specifieke politieke boodschap. De meeste groepen (van Wir sind Helden tot Roxy Music) doen gewoon hun ding, en spelen in een kwartiertje tijd een paar van hun grootste hits. De boodschap komt tussendoor wel, als komiek Michael Mittermeyer de boel scherp aan elkaar praat. Of via de geëngageerde leuzen, die via de lichtkrant boven het podium de hele tijd voorbij flitsen. Politieke oprechtheid is alleen te vinden bij het vlammende Audioslave – gitarist Tom Morello onderbreekt de korte set zelfs even voor een felle speech- en bij afsluiter Grönemeyer, die zich voor een woord voor woord meezingend veld andermaal een Duitse volksheld betoont.
Het is dan ook niet per se die boodschap, die Live 8 anno 2005 typeert; het is vooral de verbondenheid. Het collectieve goede geweten. Want nee, natuurlijk is er niemand die ook maar iets van het podium kan zien. Maar het maakt niet uit: de Siegessäule pronkt daar schitterend, de boodschappen op de lichtkrant doen hun werk, en A-Ha’s ‘Take On Me’ kennen we allemaal. En wanneer Will Smith via de videoschermen vanuit Philadelphia ‘Hello Berlin’ roept, is het hek van de dam. Live 8 is niet alleen hier, Live 8 is overal.
Het is vooral ook die laatste gedachte die de dag zijn onvergetelijke dimensie meegeeft. Wanneer tussen de optredens door wordt ingeschakeld naar Londen, vervaagt binnen de kortste keren de grens tussen ‘hier’ en ‘daar’. Wanneer Robbie Williams wordt doorgestraald vanuit Londen, gaan ook in Berlijn armen en aanstekers massaal de lucht in. En blijkt iedereen het refreintje van ‘Angels’ te kennen. ‘Music makes the people come together,’ zingt Madonna vanuit Hyde Park. En je hebt haar, om je heen kijkend, nog nooit zó gelijk gegeven.
Nu alleen nog afwachten of de G8 nog een beetje meewerkt.
Live 8, met o.a. Herbert Grönemeyer, Faithless, Roxy Music, A-Ha, Brian Wilson, Green Day, Audioslave, Wir sind Helden en Die Toten Hosen.
Gezien: Siegessaüle, Berlijn, 2 juli 2005.
Geschreven door Peter Bijl en Gejo Hoogeveen.
De herdertjes lagen bij nachte
Bij binnenkomst zou je de barman eigenlijk meteen lastig willen vallen met de vraag of er meer van 'ons soort volk' is geweest. In plaats daarvan bestel je een vaasje, en nestel je je aan het raam. 'Anno 1828' staat op het venster geschilderd. Met een handschrift van ijsbloemen. De kerstbelletjes tingelen duchtig voort. Het is Petua Clark, ongetwijfeld. Warmbloedig zwieren de afgestofte violen door de speakers. Ze kraken.
Gelukkig, er wordt gecroond. Het ware kerstgevoel geeft zich prijs. Lang leve Bing Crosby. Of was het toch Fathertje Christmas? De mannen- de buiken fier vooruit- zal het weinig deren. Ze zijn in conclaaf aan de bar. Borrelpraat, zoals iedere avond. Nee, slechts de bungelende Kerstman aan het plafond schijnt hier, in Cafe Weerdzicht, zijn plek nog te zoeken. 'Ja', verzucht je nog maar eens, terugdenkend aan je opa. 'Toen was geluk nog gewoon'.
Heel gewoon.