Blader met volstrekte willekeur door het Zomp Magazine archief uit de jaren nul (2002-2008).
Digitally Remastered!

Lollie

Zojuist passeerde een mevrouw op een fiets mijn huis. Ze was 55+, droeg een rood windjack, een spijkerbroek en comfortabele witte gezondheidssandalen. Haar haar paste precies bij haar leeftijd: het was rood geverfd en had een fikse kuif. De mevrouw trapte stevig door, een typische fietsstijl voor het soort vrouw dat ze was.

Zo op het eerste gezicht zag ik niks bijzonders aan deze voorbijfietsende mevrouw. Ze had fietstassen en een snelheidsmetertje op haar stuur en de zon scheen, dus ze fietste daar goed. Maar toen ik beter keek (en dat moest heel snel, want zoals ik al zei had de mevrouw er de sokken stevig in), zag ik dat een wit stokje tussen haar lippen vandaan piepte. De mevrouw had een lollie in haar mond.

En onmiddellijk vroeg ik mijzelf af: wat doet een 55+- mevrouw met een lollie in haar mond? Is ze soms gestopt met roken, maar kan ze niet wennen aan het gevoel niks meer tussen haar lippen te hebben? Of is ze, net als ik, verslaafd aan de sensatie van salmiak op de tong na het openbreken van het harde omhulsel? Heeft ze de lollie misschien van haar kleinkind gekregen? Of heeft ze hem zelf aangeschaft? Zou ze nog hebben getwijfeld over de smaak? De soort? De grootte?

Ik zal het nooit weten. Maar het is een vermakelijk gezicht: een fietsende 55+-mevrouw met een lollie in haar mond.

Vlieg

Vandaag op de fiets vloog de eerste vlieg van het seizoen mijn mond in.

Hee. En daar zag ik ook de eerste hommel van 2005 voorbijvliegen.

Weg ermee!

Met afgrijzen bekeek ik zojuist mijn kapstok. Daaraan hangen een winterjas, een witte sjaal, een gele sjaal, een zwarte sjaal, een groene sjaal, een oranje sjaal en een roze sjaal met streepjes. In het mandje ernaast liggen lichtroze handschoenen, donkerroze handschoenen, groene handschoenen, oranje handschoenen en lila handschoenen met streepjes en gaten in de middelvingers. Aan de deurpost grijnzen een witte muts, een groene muts en een gele muts mij tegemoet. Ik steek mijn tong uit.

Ik had eergisteren alles nog aan. Maar nu is het afgelopen. Alle wol in een grote zak onder mijn bed! Raam open. Zon naar binnen. Narcisjes in de vensterbank.

Winter? Wat is dat?

Eendjes

In het water voor mijn huis zwemt al weken een witte eend. Vorige week zwommen er ineens zes parmantige baby-eentjes achter haar aan, keurig in een rijtje. Afgelopen zondag had de witte eend nog maar vier kleintjes bij zich, twee aan twee aan iedere kant. Gisteren waren er daar nog twee van over. En vandaag? Eén eendje zwom snaterend achter zijn moeder aan. Hij was wel gegroeid...

Oma

Ik lig bij oma op zolder in mama´s oude bed. Strak ingestopt, op mijn rug. Ik beweeg niet, want anders raken de lakens los. En dat mag niet, want ingestopte lakens slapen het allerlekkerst. Oma heeft nog lakens en dekens en een sprei. Thuis heb ik een dekbed.

In mijn logeerkamertje ruikt het naar het sisal op de vloer. Het ruikt ook een beetje naar stof en naar hout. Op de grote zolder staan de oude spullen van opa en oma. Kasten, stoelen, dozen met papier, oude kleren en de beugel van oom Tom. Vroeger bestonden er ook al nekbeugels. Met een rood en geel gestreept bandje. Het is niet eng op de grote zolder, want spoken bestaan niet.

Ik lig op mijn rug en beweeg niet. Ik denk aan mama. Het is fijn bij oms, maar ik wil naar huis. Ik moet huilen en wil naar beneden, naar het grote bed van opa en oma. Maar dan moeten mijn lakens los. En dat mag niet, want ingestopte lakens slapen het allerlekkerst. Ik hijs mezelf omhoog en kruip uit bed, zonder een kreukje te maken. Tussen de zolderdeur en de trap staat een schoen. Zo kan ik opa en oma horen en zij mij. Ik kruip bij oma in bed, in het holletje van haar buik en kijk naar de enge beesten en monsters in de oranje met bruine gordijnen. Maar ik ben niet bang. Ik voel oma´s warmte en hoor het gesnurk van opa en het tikken van de wekker. Daar slaat de kerktoren drie keer. Ik ruik scheerzeep en tandpasta en oma zingt zacht een liedje. Ik hoef niet meer te huilen.

´s Ochtends is er thee met melk en een beschuit met suiker. Ik krijg nooit een beschuit met suiker! Opa eet lammetjespap en ik cornflakes met warme melk. Oma en ik gaan met het autootje naar de stad, naar het zwembad of de bibliotheek. Er ligt een Maria vol water in de auto en op het dashbord hangt een foto van opa. ´Denk aan mij´ staat erbij. Als we boodschappen doen, mag ik zeggen wat we eten en ik wil tomatensoep. Met balletjes. Oma´s tomatensoep. Achterop de fiets zit ik, met mijn benen in de tassen. Ik houd oma stevig vast. Haar rug is zacht en ruikt naar lief.

Ik wil nog steeds een beetje naar huis, maar bij oma is het fijn. Ze duwt me altijd van de stoep als we lopen en drukt me plat als ze me knuffelt. Maar dat is oma.

En toen ging oma zomaar dood. Haar bril op de grond, haar lichaam koud en stijf. Oma was weg en liet mij achter. Met niets dan herinneringen en drie kleine nichtjes om aan te vertellen wie hun oma was. Een lieve, zachte, ronde, zoete oma, met een autootje en pap, likkoekjes in een groene trommel, de trolleybus, een handdoek met een boot erop en dekens op het bed. En ingestopte lakens. Die niet los mogen, want ingestopte lakens slapen het allerlekkerst.

De appel

Aandachtig bekeek hij de glanzende groene appel, waaruit hij net een hap genomen had. Keer op keer draaide hij hem tussen zijn duim en wijsvinger rond, alsof hij nog nooit eerder zo´n mooie appel had gezien. Op de plek waar het ooit onberispelijk groen en galnzend was, gaapte nu een groot wit gat. Bedachtzaam kauwde hij, slikte en sperde zijn mond open. Maar hij hapte niet. De appel was te mooi. Te groen. Te glanzend.
Uit zijn zak haalde hij een grote witte zakdoek. Hij legde de appel erin, vouwde de zakdoen met voorzichtige vingers dicht en liet hem in zijn zak gelijden.

Later nog maar eens proberen.

Winter in Portugal

Ook in Portugal is het winter. De wind ritstelt vrolijk door de groene bladeren aan de bomen, de zon schijnt onze wangen roze en laat de sinaasappels geuren. We zitten in ons hemdje op het dakterras en luisteren naar gitaargepingel. Links in het weidse uitzicht het voetbalstadion waar nog niet zo lang geleden de Rolling Stones een gratis concert gaven voor de dakterrasbewoners, rechtdoor sinaasappelen op heuvels en rechts de rivier. En de zon maakt sproeten op onze neuzen.

Een paar dagen eerder spatte in Lissabon het vuurwerk uiteen. We zoenden elkaar met open jassen een gelukkig nieuwjaar en oogstten open monden van verbazing na het aansteken van onze Hollandse sterretjes, terwijl een Portugese beroemdheid zijn zieleroerselen over ons uitkweelde. Een paar uur later komt de zon op en laat onze ogen schitteren.

De kerstverlichting in de Portugese straten zorgt ervoor dat we niet helemaal vergeten dat het eigenlijk winter is. Overal waar we kijken stralen duizenden lichtjes ons tegemoet. Complete bouwwerken van lampjes sieren zelfs de smalste straatjes in de kleinste dorpjes. Luidsprekers tetteren Engelse kerstliedjes en zigeunervrouwtjes verkopen gepofte kastanjes in een oude krant. De zon verwarmt onze haren en neemt elk gevoel van kerst net zo snel weer weg.

De laatste dag. Diep onder ons zoeven Portugese dorpjes voorbij. Zelfs op 10 kilometer hoogte kun je auto´s zien rijden en we verbeelden ons de mensen aan het werk te zien op het land. De zon legt de schaduw van het vliegtuig op de heuvels en wij zuchten diep. Want daar in de verte, boven de Golf van Biskaje, komen de wolken aan en slokken ons op. Terug naar de winter in Nederland. Waar het nat is en guur.